OVERZIGT VAN DEN LO0P EN DE UITKOMSTEN DER NAAR HET RIJK VAN DJAMBI GERIGTE MILITAIRE EXPEDITIE, IN HET JAAR 1858.

(Met Afbeeldingen.)

 

Algemeen overzigt betreffende het Rijk van Djambi.

Het rijk van Djambi ligt op de oostkust van Sumatra en was, hoewel bij vroegere kontrakten de souvereiniteit van Nederland erkend hebbende en gerekend wordende tot de residentie Palembang te behooren, zoo goed als onafhankelijk. Het wordt ingesloten ten zuiden en oosten door die residentie, aan welke laatste zijde het verder aan het vaarwater tusschen de eilanden Banka en Lingga grenst; wijders ten westen door het rijk Korintji en ten noorden door dat van lndragiri; het is vrij uitgestrekt doch schaars bevolkt. Het rijk dat, volgens schatting, 40 à 50 duizend inwoners telt, wordt bestuurd door eenen Sultan en eenen Pangeran Ratoe (rijksbestuurder en opvolger); voorts nog door verschillende mindere ambtenaren (mantries), die door den Sultan en Pangeran Ratoe worden aangesteld.

 

Reeds in 1833 waagde de toenmalige Sultan van Djambi, Mohamad Tahar Oedin een inval op het gouvernementsgebied van Palembang, zonder dat van onze zijde de minste aanleiding tot deze vijandelijke daad was gegeven. Hij werd door den toenmaligen luit.-kolonel Michiels teruggedreven, en onder den indruk hiervan sloot die hoofdofficier met den vorst, den 14den November 1833, te Soengi Bawang een traktaat, waarbij deze zijn persoon en rijk overgaf aan de opperheerschappij van het Nederlandsch gouvernement; hieronder was tevens begrepen het beheer der in- en uitgaande regten. Tevens werd daarbij Moeara Kompeh aan het gouvernement afgestaan ter vestiging van een fort, hetwelk in den tijd der O.-l. Kompagnie op dezelfde plaats gestaan had. Dit kontrakt, dat het gouvernement als voorloopig beschouwde, werd den 15den December 1834 nader bevestigd.

 

In 1841 stierf de Sultan Mohamad Tahar Oedin, dezelfde die ons in 1833 beoorloogde. Hij werd opgevolgd door zijnen broeder Abdoel Rahman Nasar Oedin, onder wiens bestuur het Indische gouvernement uit Nederland den last ontving, de bezetting van Djambi op te geven en den post te Moeara Kompeh geheel op te breken. De Sultan was intusschen niet genegen ons te zien vertrekken en bood zelfs, des gevergd, een ander stuk gronds aan, des noods bij de hoofdplaats, om ons daar te vestigen. Een en ander had ten gevolge, dat door het gouvernement werd afgezien van het verlaten van Moeara Kompeh, terwijl onze verhouding tot Djambi op denzelfden voet bleef als vroeger.

 

Tijdens de onlusten, die van 1849 tot 1852 in de binnenlanden van Palembang heerschten, voerden de Djambinezen ter sluiks vele wapens en kruid in, welke aan de opstandelingen verkocht werden. Hierdoor werd het traktaat van 1834 geschonden, terwijl de Djambinezen daarenboven vele Palembangsche vlugtelingen schuil hielden en geheel onwillig waren in het betalen der tolregten, ja zelfs dreigden den post van Moeara Kompeh aan te vallen.

Ter regeling van een en ander werd door den Resident van Palembang aan den ambtenaar F.J.P. Storm van ’s Gravesande eene zending naar den Sultan opgedragen. Deze zending had den gewenschten uitslag: de Sultan beloofde zijn volk aan te sporen tot behoorlijke betaling der tolregten, de vlugtelingen uit te leveren enz., enz.

 

In 1855 kwam als Sultan van Djambi op den troon Ratoe Taha Sifoedin, een heerschzuchtig, stijfhoofdig en geldzuchtig vorst, ten gevolge van welke laatste hoedanigheid hij dan ook, in tegenstelling met zijne voorgangers, zelf handel dreef. Hierdoor werd de bovenlandsche bevolking gedwongen al hare producten tot uitvoer, tegen eene som verre beneden de waarde aan hem af te leveren. De gezindheid van dezen Sultan en van den adel of de rijksgrooten bleek vijandig tegen het Nederlandsch-lndisch gouvernement te zijn, terwijl de Sultan ook, den troon beklimmende, slechts bij eenvoudig schrijven het gouvernement daarvan kennis gaf.

 

De vele ontduikingen der gesloten overeenkomst en bovendien de veranderde tijdsomstandigheden maakten het noodzakelijk, dat het tusschen het gouvernement en den Sultan in 1834 gesloten traktaat hernieuwd werd en op hechtere en betere grondslagen rustte. Dien ten gevolge werd in September 1857 de Resident van Palembang gelast zich naar Djambi te begeven, ten einde met den Sultan Ratoe Taha Sifoedin over het sluiten van een nieuw kontrakt te onderhandelen. Aanvankelijk toonde de Sultan zich hiertoe geheel ongezind; de bij het bespreken der ontworpen artikelen door den vorst daartegen aangevoerde bedenkingen, hadden voor een groot gedeelte haren grond in miskenning van het souverein gezag van Nederland. Eene formele weigering tot het sluiten van een nieuw traktaat, uit onwil voortspruitende, volgde hierop weldra.

 

Na de vredelievende pogingen van den gouverneur-generaal in Maart 1858 in het werk gesteld, waarbij de Sultan herinnerd werd aan de door ons gouvernement verkregen regten in 1833 en 1834, alsmede aan de sedert 200 jaren met Djambi bestaan hebbende betrekkingen, werd op nieuw langs vredelievenden weg beproefd den Sultan tot betere inzigten te brengen; daartoe werd eene nieuwe zending aan den Resident van Palembang P.F. Couperus en den ambtenaar F.J.P. Storm van ‘s Gravesande opgedragen. Ten einde deze laatste zending betere vruchten te doen dragen, werden de beide afgezanten voorafgegaan door den waarnemenden civielen gezaghebber van Moeara Kompeh en twee geschikte Palembangsche hoofden.

 

Toen meergenoemde gezanten den 28sten Mei te Moeara Kompeh landden troffen zij aldaar de gecommitteerden aan, die vooraf gezonden waren en hun nu mededeelden, dat zij, na vele vergeefsche pogingen om met den Sultan in aanraking te komen, de aanzegging ontvangen hadden van te kunnen vertrekken, als hebbende hij zijne intentien aan den gouverneur-generaal en aan de in commissie gestelde ambtenaren kenbaar gemaakt. — In weerwil dezer weinig geruststellende berigten, zetten de Resident en de Heer Storm van ’s Gravesande hunnen togt naar Djambi voort, waar zij, na eene voorloopige bijeenkomst, den 5den Junij met den Sultan, den Pangeran Ratoe en eenige andere voorname Djambinezen te zamen kwamen, om over de hangende kwestie te spreken.

 

Op de vertoogen dier ambtenaren gaf de Sultan eerst niets anders te kennen, dan dat hij de bestaande kontrakten, als door wijlen zijnen vader gesloten‚ niet kon veranderen. Ten laatste stemde hij er echter in toe, dat de Pangeran Ratoe en eenige andere voorname personen, de commissarissen bekend zouden maken met de punten welke den vorst bezwarend voorkwamen; maar reeds den volgenden dag was de Sultan weder van gedachte veranderd en liet nu weten, dat hij zich wenschte te houden aan het bestaande kontrakt, en dus geene noodzakelijkheid zag om op nieuw te onderhandelen. Daar de commissarissen begrepen, dat zij, na zulk eene behandeling, door langer te beproeven wat slechts gewapenderhand van den onwilligen Sultan kon verkregen worden, de eer van het Nederlandsch-lndisch gouvernement in de waagschaal zouden stellen‚ keerden ook zij onverrigterzake terug.

 

Eene militaire demonstratie tegen Djambi was alzoo noodzakelijk geworden, ten einde den Sultan, uit kracht van Nederlands Souvereiniteit en van vroegere kontrakten, kon het zijn zonder aanwending van geweld, te nopen tot het vernieuwen van het in 1834 gesloten kontrakt. Na een ultimatum van tweemaal vier-en-twintig uren zou, bij weigering, de regerende Sultan worden vervallen verklaard van den troon. Tevens werd de politieke leiding dezer aangelegenheid aan den Resident van Palembang opgedragen, met wien de kommandanten der land- en zeemagt, deze expeditie uitmakende, ter zake van de militaire operatiën enz. in overleg zouden treden.

 

Overzigt van den loop der krijgsverrigtingen.

Met het oog op de noodzakelijkheid om bij de bestaande verwikkelingen met Djambi, in verband met de daartegen te rigten expeditie, ook van de landzijde (Bawa’s), zoo al niet direktelijk daartegen te opereren, dan toch ons grondgebied in dat gedeelte der residentie Palembang te beschermen, werd daartoe bestemd de 2e kompagnie van het 12e bataillon infanterie, sterk 121 onderofficieren en manschappen, waarvan 2 met tirailleur-geweren gewapend, onder bevel van den kapitein A.F. Horrmann, waarbij verder waren ingedeeld de 1ste luitenant H.F. Thissen, de 2de luitenant H.G. de Grijs en de adjudant-onderofficier, dienstdoende officier H. Diemel, terwijl hieraan werd toegevoegd een detachement artillerie, ter bediening van 2 Coehoorn-mortieren, ter sterkte van 11 Europesche en 7 inlandsche onderofficieren en manschappen, onder bevel van den 2den luitenant van dat wapen A.R.W. Gey van Pittius. Deze troepen scheepten zich in den morgen van den 30sten Julij 1858 in, aan boord van het daarvoor ingehuurde Nederlandsche koopvaardijschip Wilhelmina Lucia, gezagvoerder Poolman, hetwelk door Zr. Ms. stoomschip Celebes, kapitein-luitenant ter zee E.M.G. Baak, naar Palembang werd gesleept. Van uit laatstgenoemde plaats zou deze kolonne hare bestemming naar de Rawa’s volgen.

 

Op den 5den Augustus daaraanvolgende verlieten de navolgende schepen, des morgens ten 11 uur, de reede van Batavia: Zr. Ms. stoomschip Groningen, gekommandeerd door den kapitein-luitenant ter zee W.F. Courier dit Dubikart; Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen, gekommandeerd door den luitenant ter zee 2e klasse P. Roodzant; Zr. Ms. stoomschip Onrust, gekommandeerd door den luitenant ter zee 1e klasse J.C.H. van der Velde; als advies-vaartuig werd aan de flotille toegevoegd het stoomvaartuig Bennet, gezagvoerder Bernostei. Bovengenoemde oorlogsbodems stonden onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Courier dit Dubikart, wiens aldus zamengesteld eskader de maritieme magt der expeditie vormde. Tot het overbrengen der troepen, alsmede tot verpleging van zieken en gewonden werden de navolgende particuliere schepen ingehuurd: het Nederlandsch barkschip Regina Maris, gezagvoerder Ouwehand; het Nederlandsch barkschip Cornelia Mathilda, gezagvoerder Snoeij; het Nederlandsche schip Acadia, gezagvoerder Greefkens, en het Nederlandsch lndische koopvaardijschip Java, gezagvoerder Worthington.

Het bovengenoemde Nederlandsche koopvaardijschip Acadia, was ingerigt tot ziekenschip en had bovendien den chef der administratie bij de expeditie met zijn hoofdbureau aan boord; terwijl het Nederlandsch-Indisch schip Java, bestemd was tot vivresschip en tevens tot het overbrengen der voor de marine bestemde steenkolen.

 

De landmagt, onder bevel van den majoor J.W.C. van Langen, was zamengesteld als volgt:

Staf der expeditie, de majoor J.W.C. van Langen, de 1ste luit.-adjudant bij het 12e bataillon infanterie C. Bockstal, als adjudant van den chef der expeditie; de kapitein der infanterie J.F. Backerus, als chef van den staf der expeditie; de luitenant ter zee 2e klasse R.J.A. Bouricius, als fungerend stafofficier.

Infanterie: de 1e kompagnie van het 12e bataillon, onder bevel van den kapitein P.M. Gallas; verdere officieren: 1e luitenants J.A. Häfeli en H.M.M. van Leersum, adjudant-onderofficier, dienstdoende officier H.F. Teunisse, sterk 119 onderofficieren en manschappen, waaronder 3 met tirailleur-geweren gewapend; 21 onderofficieren en manschappen behoorende tot het hoornmuziek van het 12e bataillon, allen met kapmessen gewapend, en 2 schrijvers ongewapend. Totaal 145. De 3e kompagnie (keursoldaten) van genoemd bataillon, onder bevel van den kapitein G.M.H. Kroesen, met den 1sten luitenant L.J.F.A. de Lassassie, den 2den luitenant J.D. de Bruijn, en den adjudant-onderofficier, dienstdoende officier L. Zondag. De 4° inlandsche kompagnie van dat bataillon, onder bevel van den kapitein A.M. van der Hucht, met den 1sten luitenant F.F. Engel, den 2den luitenant F.P.J. Rochel en den adjudant-officier, dienstdoende officier J.J. Robat. leder dezer kompagniën was sterk 122 onderofficieren en manschappen, waarvan 3 met tirailleur-geweren gewapend. Totaal 244

Artillerie: gekommandeerd door den 1sten luitenant E.J.W.W. van Dompseler; verder den adjudant-onderofficier, dienstdoende officier N. Wirtz, en een detachement sterk 17 Europesche en inlandsche onderofficieren en manschappen, tot bediening van 2 Coehoorn-mortieren.

Genie: gekommandeerd door den 1sten luitenant J.K. Pluim Mentz, sterk 25 Europesche en inlandsche onderofficieren en manschappen.

lntendance: onder den betaalmeester 1e klasse J.C. Smets, den aspirant-betaalmeester ‚ J. Milder, benevens eenige onderofficieren en manschappen voor toezigt en schrijfwerk. Met het toezigt der vivres werd belast de adjudant-onderofficier, dienstdoende officier van Kerkhoven.

Geneeskundige dienst: onder den officier van gezondheid 1e kl. J. Wiede, verder de officieren van gezondheid 3e klasse J.N. Jorritsma en D.J. Visscher, benevens eenige Europesche en inlandsche onderofficieren en manschappen als hospitaal-personeel.

 

Door de zorg van den Resident zouden te Palembang een 200tal koelies verzameld worden, om de expeditie naar de hoofdplaats Djambi te vergezellen. — Als eerste verzamelplaats was Muntok aangewezen, ter reede van welke plaats de gezamentlijke flotille tegen den avond van den 8sten Augustus het anker liet vallen. Hier vernam men, dat de Celebes, welke met het slepen der Wilhelmina Lucia naar Palembang en wijders met den overvoer van den Resident aldaar naar herwaarts belast was geworden, nog niet van Palembang was teruggekeerd, weshalve Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen tegen den middag van den volgenden dag derwaarts vertrok, om dien hoofdambtenaar van de aankomst der expeditie voor Muntok te verwittigen. Den 11den kwam dit stoomschip terug, zonder den commissaris of de 200 koelies, die aan de expeditie moesten worden toegevoegd, doch met de tijding, dat deze dagelijks te Palembang verwacht werden en de commissaris daarna de reis naar Bangka zoude aannemen.

 

Gedurende het verblijf der expeditie ter reede van Muntok, werden de troepen van de noodige ververschingen voorzien, terwijl nog voor 10 dagen zeevivres en drinkwater ingenomen werd, uit hoofde men hiervan slechts voor 3 weken was voorzien, waartoe intusschen, zonder het onvoorziene oponthoud alhier, geene noodzakelijkheid had bestaan. Den 16den arriveerde de commissaris met de Celebes en het vaartuig waarop zich de meergenoemde 200 koelies bevonden. Door den commissaris werd den chef der expeditie medegedeeld, dat de 2e kompagnie van zijn korps reeds den 14den te voren naar de Rawa’s gemarcheerd was. Den volgenden dag bragt de kommandant der expeditie een bezoek bij den kommandant der flotille en nam bij die gelegenheid de landingsdivisie der marine in oogenschouw, welke op het dek van de Groningen onder de wapenen stond en alles goeds deed verwachten.

 

In den morgen van den 19den Augustus, omstreeks 11 uur, verliet de flotille de reede van Muntok, den steven rigtende naar de 2e verzamelplaats, zijnde de Koewala Nioer, hoofdmonding der Djambi-rivier, waar zij den volgenden dag omstreeks 4 uur ankerde. De Celebes, waarop zich de commissaris bevond, had het koelievaartuig op sleeptouw en was de overige schepen vooruitgestoomd naar Moeara Kompeh. Tegen den middag van den volgenden dag worden de troepenschepen over de bank, waarop 17 voet gepeild werd, binnen de rivier gesleept, waarbij zich later de Admiraal van Kinsbergen voegde. De Celebes kwam reeds om 4 uur ’s middag terug van Moeara Kompeh en ankerde op de reede. Regina Maria werd door den Admiraal van Kinsbergen gesleept en ‘s avonds werd in de rivier geankerd. Na meermalen aan den grond te hebben gezeten was de flotille eindelijk in den avond van den 23sten Augustus te Moeara Kompeh vereenigd, met uitzondering van het vivresschip, terwijl de Groningen, wege haren te grooten diepgang, voor de rivier geankerd bleef.

 

De sterkte te Moeara Kompeh bestaat uit eene vierkante aarden redoute met twee cirkelvormige bastions op de overstaande hoeken; zij heeft behoorlijke gebouwen voor officiers-woningen ‚ kazernes, kruidmagazijnen, enz. Alle handelsvaartuigen van en naar Djambi gaande, moeten daar lossen, waar mede de taxatie en dienovereenkomstig de in- en uitgaande regten bepaald worden. Moeara Kompeh ligt ongeveer ter halverwege van de monding der Djambi-rivier en de hoofdplaats. Het is een zeer geïsoleerde post, in het midden eener wildernis, welke zich aan de oevers der beide rivieren uitstrekt en zoover het oog reikt slechts uit ondoordringbaar bosch van hoogopgaand hout, waartusschen struikgewas, bestaat. Alleen om de redoute, heeft men, voor zoover zulks noodig is, even als van een gedeelte langs de rivier beneden de redoute, het bosch omgekapt, op welke laatste plaats eenige bamboezen woningen van inlanders staan. De oevers zijn aldus tot aan de hoofdplaats begroeid, en slechts hier en daar vindt men enkele kleine doesons (dorpen of gehuchten) in de nabijheid van Ladangs (In het bosch gelegen velden, waarvan het hooge hout is omgekapt en het kleine verbrand, om daarop rijst, katoen enz. te teelen).

 

Nadat het vivresschip bij de flotille was aangekomen, verliet deze op den 27sten Augustus, na versterkt te zijn geworden met twee kruis- en tien Soensang-praauwen (Praauwen, zooals gewoonlijk op de Soensang, den hoofdmond van de rivier van Palembang, gebruikt worden), de reede van Moeara Kompeh, waarbij de verschillende vaartuigen weder door de stoomers gesleept werden. Tevens werden nu de geweren geladen en op de oorlogschepen de noodige maatregelen genomen, om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn. Er werd koers gesteld naar de Sidjoenjang-eilanden, 1½ à 2 uur marscherens beneden de hoofdplaats Djambi gelegen, alwaar tegen 11 uur ‘s morgens van den volgenden dag, een gedeelte der flotille ankerde en besloten werd de overige vaartuigen af te wachten, alvorens het aan den Sultan gerigt manifest uit te vaardigen.

 

De kapitein C.M.H. Kroesen kreeg in last een paar inlandsche manschappen, vrijwilligers, te zoeken, die des nachts, als koelies verkleed, eene verkenning zouden doen, ten einde berigten omtrent de stelling en sterkte des vijands, alsmede der versterkingen in te winnen. Hiertoe boden zich aan de inlandsche keursoldaten Sonowidjono en Saridjo, die daartoe bijzonder geschikt waren, als zijnde zij reeds in 1852 met den Heer Storm van ‘s Gravesande te Djambi geweest. Des avonds ten 8 uur werden zij door den kapitein Kroesen aan land gebragt, en waren vóór het aanbreken van den dag, zooals gelast was, aan boord terug, zonder evenwel het doel bereikt te hebben; zij schenen verdwaald te zijn geraakt, of wel zich in het bosch te hebben opgehouden. Tot het doen eener dergelijke verkenning boden zich nu onmiddellijk aan de luitenant ter zee ‘2° klasse Boumcios, alsmede de kapiteins Knoasen en GALLAS, en de luitenant ter zee 2e klasse van der Hegge Spies, van welk aanbod echter, uit hoofde van het gevaarlijke der onderneming, geen gebruik gemaakt werd.

 

De kommandant der flotille had inmiddels de naauwe passage tusschen de hierboven genoemde eilanden en den linkeroever doen peilen en voldoenden diepgang gevonden om hooger op te werken. In den voormiddag van den 1sten September deden de chef der expeditie en de overste Courier dit Dubikart, vergezeld van den kapitein J.F. Backerus en den luitenant ter zee 2e klasse Bouricius, op de Bennett eene verkenning, waarbij voorzigtigheidshalve een kruispraauw op sleep werd medegenomen, terwijl op de Bennett een 20tal gewapende Europesche flankeurs, onder den 1sten luitenant van Leersum geplaatst waren. Bij die gelegenheid bleek het, dat de marsch naar de hoofdplaats van beneden de eilanden, door het als 't ware ondoordringbare bosch, bijna ondoenlijk zoude zijn; de ligging der hoofdplaats Djambi, de kraton en de versterkingen kwam genoegzaam overeen met de kaart, welke door het militair departement ten gebruike was afgestaan. Op den kraton was eene vlag geheschen, waarvan de kleuren niet duidelijk onderscheiden konden worden. Na dus alles behoorlijk buiten het bereik van het geschut opgenomen te hebben, werd de steven weder gewend‚ als wanneer uit de eerste versterkingen 2 à 3 kanonschoten vielen ‚ waarvan echter geen notitie genomen werd.

 

Nadat den 2den September de geheele flotille vereenigd was, werd besloten het manifest alsnu dadelijk uit te vaardigen, en den volgenden dag met de stoom- en troepenschepen en met het koelieschip verder te gaan, en in het gezigt van Djambi, doch buiten het bereik van het geschut, te ankeren, ten einde aan het ultimatum meer kracht bij te zetten. Daarop werd door den kommandant der expeditie gelast, de vertrekkende vaartuigen tot en met den 10den September van vivres te voorzien, terwijl de chef der administratie met den betaalmeester van het 12e bataillon en het noodige personeel en materieel, behoorende tot de ambulance, benevens de noodige gelden, zouden overgaan op de Cornelia Mathilda; het vivres- en hospitaalschip zouden, voorloopig door eene kruispraauw beschermd, beneden de eilanden blijven.

Tegen 8 uur des morgens van den volgenden dag, werd er in het gezigt van Djambi geankerd; de stoomschepen met de Bennett en de kruispraauwen in de 1e linie, de Srie Palembang (koelieschip) en de Cornelia Mathilda in de 2e linie, en de Regina Maris in de 3e linie, blijvende de achtergebleven schepen in het gezigt. De 4de September, de verjaardag van Z.K.H. den Kroonprins, werd feestelijk gevierd. Algemeen was de wensch om op dezen dag naar Djambi op te rukken, doch door het veelmalen aan den grond zitten der schepen, was zulks onmogelijk, terwijl het ultimatum aan den vorst van Djambi eerst tegen den avond verstreken was. Weigerde de Sultan het traktaat te teekenen, zoo was alles gereedheid gebragt om den volgenden morgen de vijandelijkheden te beginnen.

 

Reeds was ook de order voor het debarkement en de opstelling der troepen aan land, door den kommandant der expeditie aan de beide andere autoriteiten aangeboden, toen de commissaris des middags om 5 uur mededeelde, dat de Sultan zich bereid verklaard had om te onderhandelen, en hem dien ten gevolge nog 24 uur tijd van beraad werd gegeven. In weerwil van dit aanzoek des Sultans had men den vorigen dag en ook den 4den September, dag en nacht aan de versterkingen zien werken, waaruit afgeleid moest worden, dat de Sultan slechts tijd zocht te winnen. In den avond van dien dag ontving de kommandant der expeditie afschrift der order van den overste Dubikart voor het maritime gedeelte der expeditie, voor het geval er geageerd zou moeten worden.

 

Het met den kapitein-luitenant ter zee, kommandant der maritime middelen, overeengekomen plan van aanval was, dat de oorlogschepen de versterkingen‚ langs de rivier eerst zouden beschieten, en dat de landingstroepen ze daarna zouden trachten te veroveren. De order van het debarkement en der opstelling voor de landingstroep

luidde als volgt:

 

De Sultan van Djambi is weigerachtig aan het verlangen van het gouvernement te voldoen. Er schiet dus niets anders over, dan met de wapenen hem daartoe te dwingen. Zijne hoofdplaats ligt voor ons. Morgen gaan wij er op los.

 

Daartoe wordt, geheel in overeenstemming met den kapitein-luitenant, kommandant van het maritime gedeelte der expeditie, voor het debarkement der troepen het volgende bepaald: Des avonds zullen op zijde van de Cornelia Mathilda komen, het stoomschip Bennett, met 6 groote sloepen en 2 kruisbooten. Om 5 uur reveille voor alles; om 4 uur zullen de troepen  van de Cornelia Mathilda volgenderwijze overgaan: De elf onderofficieren waaronder de adjudanten-onderofficier, de 12 hospitaal-soldaten met tandoes (draagstoelen) en draagstokken, en nog 44 onderofficieren en manschappen, benevens de bedienden op de Bennett; 25 onderofficieren en manschappen in elk der zes groote sloepen en 25 dito in elk der kruisbooten, zooveel mogelijk kompagniesgewijze. Zoodra die troepen aan land zijn, komt de Bennett met de zes sloepen terug naar de Regina Maria; onmiddellijk zal dan op de Bennett embarkeren, de kommandant der expeditie, met al de officieren en adjudanten-onderofficier, het detachement artillerie met de 2 mortieren en het daarbij behoorende materieel voor 25 worpen elk, het hoornmuziek en de bedienden voor de officieren. Op de groote sloepen, de Europesche onderofficieren en manschappen, benevens het detachement sappeurs; op elk der sloepen 27 man. De landingsdivisie der marine zal zelve voor het embarkement zorgen. Op elk der l0 Soengsang-praauwen zullen 15 koelies plaats nemen, die met het eerste debarkement zullen aankomen.

 

De landingsplaats zal zijn op de bank, vlak op zijde van de schepen, aan den regter oever der rivier. Zoodra de troep van de Cornelia Mathilda aan land is, formeert zich de 3e kompagnie en bezet het bosch. De 4e kompagnie formeert zich insgelijks en blijft op de bank met het front naar het bosch, zooveel mogelijk links, om plaats te maken voor de andere troepen. Naarmate de met minié-geweren gewapenden debarkeren, vervoegen zij zich bij de 3e kompagnie, die bij den marsch de voorhoede zal uitmaken.

 

Aan den kommandant der voorhoede worden toegevoegd de kapitein, chef van den staf der expeditie, omdat hij reeds vroeger te Djambi is geweest, en de luitenant ter zee 2e klasse Bouricius, tot het overbrengen van tijdingen aan den kommandant der expeditie of tot het doen van kleine verkenningen. Ook zullen, volgens mededeeling van den Resident, een paar gidsen worden medegegeven, die mede tot de voorhoede zullen behooren. Het detachement sappeurs komt in zijn geheel bij de voorhoede tot het verrigten van die werkzaamheden, welke noodig zullen bevonden worden. Het detachement artillerie sluit de voorhoede en wordt speciaal gedekt door de 4e sectie, onder den adjudant-onderofficier, dienstdoende officier der 3e kompagnie. De 1e kompagnie formeert zich zoodra zij geland is, en heeft den regter vleugel; daarna de landingsdivisie der marine, vervolgens als achterhoede de 4e kompagnie, waarvan het 1e  peloton speciaal bestemd is voor de dekking der bagage en ambulance, en het 2e peloton om vereenigd te blijven onder den kompagnies-kommandaat en de kolonne te sluiten.

 

De officier van gezondheid‚ J.N. Jorritsma blijft aan het hoofd der kolonne bij den kommandant der expeditie; de officier van gezondheid der marine achter de landingsdivisie der marine, en de officier van gezondheid D.J. Visscher bij de achterhoede. De 1ste luitenant-adjudant Boekstal met den kleinen staf van het 12e bataillon infanterie, benevens de fourier-schrijver van dat korps, blijven aan het hoofd der kolonne bij den kommandant der expeditie, alsook het hoornmuziek, terwijl de tamboers en hoornblazers bij hunne kompagniën verblijven. De officieren der administratie blijven bij de achterhoede.

 

Vóór het debarkement moeten de onderofficieren en manschappen wat genuttigd hebben en aan ieder een ration jenever worden verstrekt. Iedere kompagnie, en dus ook de landingsdivisie der marine, blijft een zelfstandig geheel, en wordt gekommandeerd door haren kommandant die alzoo niet als pelotonskommandant intreedt.

 

Zoodra gedebarkeerd is zal de chef van den staf der expeditie zorgen dat de troepen op die wijze worden opgesteld en voor de indeeling der koelies het noodige verrigten, waartoe hij zich zal verstaan met de kommandanten der artillerie en sappeurs en de officieren van gezondheid. De troepen zullen debarkeren met den randsel om, waarin eene verschooning, de sprei en 30 patronen; terwijl in het eetketeltje zich een paar harde beschuiten en een ration gekookt gezouten vleesch zullen moeten bevinden. Geen andere bagage wordt medegenomen dan, per kompagnie, en dus ook voor de landingsdivisie der marine, de noodige jenever om dien dag te verstrekken. Aan niemand wordt een koelie toegestaan, zoodat de officieren hoegenaamd geen andere bagage mogen medenemen dan door hunne bedienden kan worden gedragen, zullende er op den dag van de landing aan boord van de koopvaardijschepen voor de troepen nog moeten worden gekookt, waartoe de gezagvoerders verzocht worden het noodige te doen verrigten.

 

Alzoo een ieder voorgeschreven zijnde wat hij te doen zal hebben, zoo vertrouwt de kommandant der expeditie, dat het debarkement en de opstelling aan land in de grootste orde, bedaardheid en met de meeste stilte zullen geschieden, mogende er volstrekt geen trom of hoorn geroerd worden. Ten slotte verwacht hij, dat bij de gevechten een ieder naar zijn beste vermogen zijn pligt zal doen en medewerken om de eer der Nederlandsche wapenen te handhaven.

 

Deze order zal heden middag om 5 uur voorgelezen en aan den inlander verstaanbaar gemaakt worden.

 

De zooeven aangehaalde order, als ook die van den kommandant der marine, werden met geestdrift ontvangen en met een driewerf hoerah begroet.

 

Denzelfden avond zond de kommandant van het maritiem gedeelte der expeditie, een sterkte-staat der marine-landingsdivisie, gekommandeerd door den luitenant ter zee 2e klasse J.D.J. van der Hegge Spies. De verdere officieren waren: de luitenants ter zee 2e klasse E.P.C. Jhr. de Stuers, W.L.A. Gericke en W. Steffens; officier van gezondheid 3e kl. J. Letzer, voorts 101 onderofficieren en manschappen met nog 9 man voor de ambulance.

 

Gedurende den avond en nacht werden er nu en dan kanonschoten gehoord, die verondersteld werden seinen van den kraton te zijn om de bevolking op te roepen; aanhoudend werd op de gong-gongs (bekkens) geslagen.

 

Omstreeks 4 uur in den morgen van den 6den September, begon de ontscheping der troepen van de Cornelia Mathilda, zijnde de 3e en 4e kompagnie van het 12e bataillon infanterie, met de beide officieren der administratie en den officier van gezondheid 3e klasse Visscher, benevens eenige hospitaal-soldaten van de ambulance. De kapitein, chef van den staf, en de luitenant ter zee 2e klasse adjudant Bouricius, waren vroegtijdig naar de Cornelia Mathilda gezonden, om mede het eerst te debarkeren. Den 1sten luitenant Bouricius was opgedragen den kommandant der voorhoede, den kapitein C.M.H. Kroesen, mede te deelen, dat hij in last had, zoodra de twee inlandsche kompagniën opgesteld zouden zijn, met eenige weinige inlanders, het terrein in het bosch langs de rivier tot aan de eerste versterking te verkennen.

 

Het debarkement der troepen van de Cornelia Mathilda ging zóó stil en ordelijk, dat men daarvan op de Regina Maria niets bemerkte, niettegenstaande ieder op dezen bodem allen stond te luisteren en men er geen half kwartier van verwijderd was. Om 5 uur waren de genoemde troepen aan wal, en tegen half zes was de Bennett op zijde van de Regina Maria; de troepen van dezen bodem gingen onmiddellijk in de grootste orde op dat stoomvaartuig en op de barkassen en sloepen over. Het was dag toen de Bennett vertrok en de daarop ingescheepte troepen zien konden dat de 3e kompagnie reeds het bosch bezet had, dat de 4e kompagnie en de marine-landingsdivisie op de aangewezen posten stonden en de koelies bezig waren te debarkeren. Het bleek dus dat de vijand het bosch niet bezet had en ons ongehinderd liet debarkeren. Had hij een 40 à 50 man langs den rand in het bosch geposteerd, dan zou hij het debarkement zeer bemoeijelijkt hebben en ons dadelijk vele verliezen kunnen toegebragt hebben.

 

De Sultan schijnt niet gedacht en niet bij tijds geweten te hebben, dat de troepen op de zandbank zouden debarkeren en dat zij door het bosch, achter en langs zijne versterkingen zouden komen, om op die wijze zijnen kraton te bereiken. Ten minste later werd gehoord, dat bij hem het denkbeeld vast stond, dat zijn kraton in 't front zou aangevallen worden.

 

Om 6½ uur was alles aan land, en ten 7 uur stond de troep geschaard, gelijk gelast was. Kort vóór dit oogenblik kwam de luitenant ter zee Bouricius‚ door twee inlandsche soldaten vergezeld, van zijne behoorlijk volbragte verkenning terug. De overste Dubikart riep van de Celebes den kommandant der expeditie toe, of alles gereed was, en dit bevestigend beantwoord zijnde, stoomden de stoomschepen statig naar boven, daarbij door de onzen met een driewerf hoerah begroet wordende, dat evenzoo beantwoord werd.

 

De voorhoede, onder bevel van den kapitein Kroesen, had order zich weinig met vuurgevecht in te laten, maar zoo spoedig mogelijk met de bajonet tot de bestorming over te gaan. Er was veel, ja, bijna alles aan gelegen, dat men uit het bosch deboucherende de drie eerste bentings, die kort bij elkander lagen, vermeesterde; daartoe was afgesproken dat, zoo de eerste benting te veel moeijelijkheden mogt opleveren om ze met de voorhoede alléén te nemen, deze alsdan links zou trekken, en tirailleur de benting van achteren beschieten, ten einde, wanneer de hoofdmagt aan kwam, haar gezamentlijk te bestormen.

 

De marschorde der voorhoede was als volgt: Aan het hoofd 3 onderofficieren met minié-geweren gewapend; daarop volgde de kapitein Kroesen, vergezeld van den chef van den staf, Backerus, den luitenant ter zee 2e klasse Bouricius en den 1sten luitenant der genie en sappeurs Pluim Mentz, om den af te leggen weg zooveel doenlijk op te nemen. Achter hen marscheerde de 1ste luitenant der infanterie de Lassasie met eene sectie der keurkompagnie, op korten afstand gevolgd door het overige gedeelte der kompagnie en de twee handmortieren, onder den 1sten luitenant der artillerie van Dompseler.

 

Ofschoon het terrein aanvankelijk voor den marsch ongunstig was, werd het voetpad gaande weg beter en bruikbaar. In de nabijheid der rivier marscherende, konden onze troepen het opstoomen der oorlogschepen zien of hooren, gepaard met het oorlogsgeschreeuw en te wapen roepen des vijands. Na aldus ongeveer een half uur gemarscheerd te hebben, werd tusschen de flotille en den vijand een hevig kanonvuur geopend.

 

De voorhoede, thans de eerste benting genaderd zijnde, hield een weinig landwaarts in om ze in den rug en flank te nemen; de kans schoon ziende, werd voorwaarts geblazen en met geveld geweer, onder een flink hoerah, er op in gestormd. Ofschoon de vijand blijkbaar verrast werd, bood hij toch hevigen wederstand. Tot tweemaal uit elkander geslagen, verzamelde hij zich met vernieuwde woede, en werd hij eerst, na vele dooden en gekwetsten te hebben bekomen, uit de benting verdreven. Hij nam de wijk naar de tweede, doch de 3e kompagnie was er te gelijk met hem in, en rigtte eene vreeselijke slagting onder hem aan, blijkbaar uit de vele dooden die hij in en langs de bentings achterliet. De 3e benting trof hetzelfde lot; reeds bij het bestormen der eerste benting was het 1e peloton der 1e kompagnie, onder bevel van den 1sten luitenant Häfeli, met den kapitein Gallas aan het hoofd, ter versterking gezonden, waarbij gevoegd werd het 1e peloton marine-landingsdivisie (twee pelotons, elk gekommandeerd door een officier), onder de luitenants ter zee 2e klasse de Stuers en Gericke.

 

— Tusschen de 2e en 3e versterking werd aanhoudend uit de omliggende huizen geschoten.  De kapitein Gallas en de luitenant ter zee 2e kl. van der Hegge Spies, zuiverden al spoedig deze huizen van vijanden en staken ze in den brand. Een tiental passen van den ingang van een dezer huizen, ontving de flankeur Nauta een doodelijke wond in het hart; een Pangeran, met name Hoesen, kwam tandenknarsende, met 2 lange sabels in de handen, op den kapitein Gallas toeschieten; deze trachtte hem tot bedaren te brengen, doch in een paar sprongen was hij bij hem; gelukkig werd hij door een piek afgeweerd. Nogmaals echter op den kapitein afkomende, werd hij door den flankeur van der Loo doorsteken.

 

— Reeds hadden wij verscheidene zwaar geblesseerden bekomen en onder de koelies een paar dooden en verscheidene gewonden, zoodat het zeer veel moeite kostte hen bijeen te houden. Maar ook de vijand had zware verliezen geleden, zijne dooden moeten laten liggen en al het geschut, de lilla‘s en de munitie, benevens een groot aantal steenslotgeweren en ander wapentuig waren in onze handen gevallen.

 

Na het nemen der 3e benting hield de voorhoede halt; alles sloot weer op en de kommandant der achterhoede, kapitein A. M. van der Hucht, ontving met den kommandant der marinetroepen last, al het geschut enz. in de rivier te werpen of onbruikbaar te maken, en de benting zooveel mogelijk te vernielen. Een metalen 6, 1 ijzeren 12, benevens 2 draaibassen werden alzoo in de rivier geworpen, terwijl tevens onbruikbaar werden gemaakt 5 stukken en lilla's.

 

Alvorens den verderen loop der operatiën te beschrijven, zij vermeld dat reeds kort na de eerste gevechten, ook van den overkant der rivier, uit onderscheidene bentings, zoowel op de schepen als op de landingstroepen geschoten werd. Van de schepen werd dat vuur krachtig beantwoord‚ en dit, gepaard met eenige wèlaangebragte granaatworpen uit de handmortieren van den 1sten luitenant van Dompseler, bragt dit vuur weldra tot zwijgen.

 

Na een oogenblik verademing werd nu de marsch voortgezet. Het zou nutteloos zijn de vermeestering van elke benting of van elk versterkt huis beschrijven; het was eene aaneenschakeling van bentings, versterkte doesons en huizen, die achtervolgelijk genomen werden, meest allen met bajonet, waarbij men meermalen met den vijand handgemeen werd; zelfs werd het peloton van den 1sten luitenant Engel (4e kompagnie), dat de ambulance en de koelies dekte, nu en dan nog uit de huizen beschoten. Het 2e peloton (4e kompagnie), onder den kapitein van der Hucht, dat geheel vereenigd was, had tot nu toe de beweging der kolonne, tot voorbij de derde benting, gevolgd; maar aangezien de voorhoede rapporteerde dat de vijand ons wilde omtrekken, kreeg gezegde kapitein last, een der bentingen bezet te houden en de landingsdivisie, welke links zijwaarts aanhield, te ondersteunen. Spoedig ontwaarde men dat des vijands omtrekking weinig te beduiden had, waarop de marine-landingsdivisie en het 1e peloton (4e kompagnie) weder last kregen hunne plaatsen bij de kolonne hernemen.

 

De doesons langs de rivier stonden weldra in brand. Bij die gelegenheid werden door den 2den luitenant Rochel, met behulp van ettelijke inlandsche fuseliers, eenige vrouwen en kinderen, die anders onfeilbaar op eene vreeslijke wijs waren omgekomen, gered. Bij het doorzoeken der huizen was deze officier bijna het slagtoffer van zijn ijver geworden; een der vijanden stormde met een kris op hem in, doch werd nog in tijd door den sergeant-majoor Hartel door een bajonetsteek verwond.

 

Oorverdoovend was het geschutvuur, zoo van de schepen als van den vijand, waartusschen het geweervuur en de in kampongs en bentings geworpen granaten werden gehoord. Nadat alzoo 8 bentings, al de achtergelegen versterkte doesons en huizen, met betrekkelijk weinig verlies genomen waren, was men eindelijk in de nabijheid van de hoofdplaats, den kraton gekomen. Nog bleef de vijand, niettegenstaande hij door het vuur der flotille zwaar geteisterd werd, zich hardnekkig verdedigen. Hij scheen vast besloten de vorstelijke woning tot het uiterste te verdedigen.

 

De kraton was omringd door eene vierkante redoute, uit eene dubbele palisadering bestaande, wier tusschenruimte met aarde was aangevuld; zij had in ‘t front en van achteren 55 ellen, en aan de beide zijden 95 ellen vuurlijn, was van voren 2.5 el breed en hoog, terwijl de overige zijden 1.8 el breed, doch veel hooger waren dan de voor- en achterzijde. De borstwering van den kraton was bewapend met 4 lilla's; 2 andere stonden op het plateautje er voor, bovendien werd de voorzijde beschermd door 2 enorm zware en hooge batterijen, gewapend met 4 stukken en 3 lilla’s. De inrigting der redoute (zij had eene bijna regtopstaande borstwering, zonder talud) maakte een storm bijna onmogelijk. Te vergeefs werden eenige granaten in den kraton geworpen en werd hij door de schepen hevig beschoten; een der kogels uit een 30  geschoten, kwetste, gelijk later vernomen werd, een paar vrouwen van den Sultan in een der huizen, en had zijne vlugt en die zijner familie ten gevolge; maar desniettemin bleven zijne aanhangers of volgelingen zich met de uiterste woede verdedigen. In weerwil van het hagchelijke der onderneming, deden achtereenvolgens, alhoewel te vergeefs, de 3e kompagnie (12e bataillon infanterie), een groot gedeelte der 1e kompagnie van dat korps en de geheele marine-divisie een stormaanval op de redoute.

 

De kommandant der expeditie de bewegingen gadeslaande en besturende, onthield zich inmiddels, met den commissaris en gevolg, een 25tal manschappen der 1e kompagnie, alsmede het hoornmuzijk, het 1e peloton der 4e kompagnie en het detachement artillerie, op ongeveer 70 passen van den kraton. De 1ste luitenant-adjudant Boekstal werd alsnu gelast, met een zestal flankeurs van naderbij den stand der zaken, waaromtrent aanhoudend tegenstrijdige rapporten inkwamen, te gaan onderzoeken; tevens had hij in last, met de beide onderadjudanten van het 12e bataillon, de achterste manschappen weder voorwaarts te brengen. Met moed en bedaardheid kweet hij zich van dien last. Gelijktijdig werden ordonnancen naar het 2e peloton der 4e kompagnie gezonden, om het in brand steken der gebouwen te doen staken en met den looppas op te sluiten, ten einde zelfs met de laatste Europeanen den storm te beproeven.

 

Eene poging van den kapitein Kroesen, om den kraton om te trekken, bleef zonder gevolg; trouwens, volgens het gevoelen van den commissaris en den gids bestond daartoe ook geene mogelijkheid. In die hagchelijke oogenblikken stelden zich de kapiteins Kroesen en Backerus nogmaals aan het hoofd der troepen, spraken hun met weinige woorden moed in, en werd voor de vierde maal, onder een luid hoerah! de storm ondernomen; men kwam nu tot onder de benting, terwijl de marine-divisie een der voorwerken vermeesterde.

 

Verschrikkelijk was ’s vijands vuur, en waren zijne schoten beter gerigt geweest, dan hadden wij zeker groote verliezen geleden; bovendien werd als ’t ware een regen van bamboezen werpspiesen met scherpe punten, over de borstwering op de onzen geworpen. Niettegenstaande dit alles hielden onze troepen aan den voet der versterking stand, doch de groote moeijelijkheid bleef over om er in te komen. Een paar inlandsche fuseliers der keurkompagnie (Sodrono en Napio), door den 1sten luitenant Pluijm Mentz, den kapitein Backerus en den 2den luitenant de Bruijn gevolgd, beklommen, elkander helpende, den kraton. De keurhoornblazer Saidin werd er door den kapitein Kroesen opgeholpen, en hem een geweer toegestoken, waarna die kapitein met eenige soldaten naar de poort vloog, deze open liet hakken en naar binnen stormde. Nog bleef des vijands vuur eenige oogenblikken hevig aanhouden, doch het gelukte nu toch hem uit den kraton te verdrijven, en eindelijk, ten 10 ure, was men er meester van.

 

Een oogenblik te voren, toen rapport ontvangen was dat het 2e peloton der 4e kompagnie oprukte, — waarover dus nu nog in zijn geheel kon beschikt worden, zonder de geblesseerden, munitie, enz. ongedekt te laten, — had de kommandant der expeditie besloten zich bij den storm te voegen. Reeds waren daartoe de weinige beschikbare Europeanen in orde geschaard met last niet te vuren dan op diens bevel, en vooral goed op te sluiten, toen men de vijandelijke vlag van den kraton zag nederdalen, en weldra de Hollandsche in top van den vlaggestok geheschen werd.

 

Ook de luitenant ter zee 2e klasse de Stuers had te vergeefs eene omtrekking beproefd, daar hij door moeras verhinderd werd verder te komen; hij nam daarna, met den luitenant ter zee 2e klasse Steffens, onder bevel van den kommandant van der Hegge Spies deel aan de tweede bestorming. De marine-landingsdivisie kweet zich in ’t algemeen bij de bestorming zeer dapper van hare taak.

 

Nadat de kraton genomen en bezet was, ontving de kapitein Gallas bevel den vijand te vervolgen en de aan den kraton grenzende doeson te doorzoeken; daartoe werden onder zijne bevelen gesteld de 2de luitenant Rochell en een peloton der 4e kompagnie; de 1ste luitenant Häfeli moest met een peloton der 1e kompagnie post vatten. Aanhoudend werd er nog uit de huizen geschoten.

 

Omtrent dit tijdstip werd de 1ste luitenant van Leersum, alsmede een 12tal Europeanen deerlijk gebrand, door het ontploffen eener mijn of van eenige overdekte vaatjes buskruid; zij kwamen naakt en in deerniswaardigen toestand in den kraton terug.

 

Ofschoon het den kommandant der expeditie bekend was, dat de versterkte kraton van den Pangeran Ratoe en nog een paar bentings verder op gelegen waren, waren de troepen te vermoeid om ze onmiddellijk te doen voortrukken; daarbij stonden bosch en huizen om den kraton in brand. Omstreeks 11½ à 12 uur werd intusschen de tijding ontvangen, dat bovengenoemde kraton en gezegde versterkingen geheel door den vijand verlaten waren. Zij werden nog eenige oogenblikken door de stoomschepen bestookt, doch kort daarna was alles stil.

 

Tegen 4 uur in den namiddag kreeg de kapitein van der Hucht, die tot aan den kraton met bedaardheid de achterhoede had gekommandeerd, last om met het 2e peloton der 1e kompagnie (1ste luitenant Häfeli) en het 1e peloton zijner kompagnie (1ste luitenant Engel) ook de laatste versterkingen aan deze zijde der rivier te nemen, welke beweging door een der stoomschepen zoude ondersteund worden. Zonder noemenswaardigen tegenstand en zonder verlies werden zij genomen.

 

De geheele regter oever der rivier was nu in ons bezit; de bevolking aan de overzijde onderwierp zich, plaatste overal Hollandsche vlaggetjes langs den oever, slechtte de bentings en gaf de stukken over, die naar de stoomschepen werden gebragt. Sedert werd men in den kraton volstrekt niet meer verontrust. De Sultan en al de rijksgrooten waren gevlugt, zooals men later vernam naar Soengie Pagoe (grens der Padangsche bovenlanden).

 

Het welgelukken der onderneming was ontegenzeggelijk voor een groot gedeelte te danken aan de krachtige medewerking van Zr. Ms. stoomschepen en de 2 kruispraauwen Nos. 26 en 52, welke op sleeptouw waren. Meer dan 800 schoten werden bij den aanval gedaan.

Ten 12 ure des middags was de commissaris naar de Celebes teruggekeerd, nadat hij gedurende de gevechten steeds in de nabijheid van den kommandant der expeditie, en vooral bij den kraton aan een hevig geweer en kartetsvuur blootgesteld was geweest.

 

Alvorens het verhaal van het op dezen dag voorgevallene te eindigen, verdient het alleruitmuntendst gedrag van een paar officieren bijzondere vermelding. In de eerste plaats moet genoemd worden de kapitein C.M.H. Kroesen. Aan zijne bedaarde, koelbloedige en onverschrokken dapperheid, aan zijn beleid, is de behaalde overwinning grootendeels te danken. Niet minder komt die eer toe aan den kapitein J.F. Backerus, chef van den staf der expeditie, die hem altijd ter zijde heeft gestaan en van wien de kapitein Kroesen dan ook de loffelijkste getuigenis gaf.

 

Buiten de veroverde kanons, lilla's enz. (Het bij deze expeditie veroverde geschut, dat ingescheept werd, bestond uit 41 lilla’s, meest van brons, 4 bronzen en 14 ijzeren kanons van 3 tot 18 .) had men nog verscheidene gevangenen gemaakt, die echter later, door tusschenkomst van den commissaris, op vrije voeten zijn gesteld en van dienst zijn geweest bij de politieke onderhandelingen.

 

De dienst in den kraton werd onmiddellijk geregeld; aan den kapitein Kroesen werden de functiën opgedragen van plaatselijken kommandant; aan den 1sten luitenant Boekstal die van plaatselijken adjudant. De gesneuvelden werden des middags met militaire eer begraven; hierbij wordt aangeteekend, dat op den 10den September de sergeant-staf-hoornblazer W. Schuster in de nabijheid van de missigit (tempel) werd vermoord; een gevolg zijner eigene onvoorzigtigheid, doordien hij, niettegenstaande de daartegen gegeven gestrenge bevelen, was gaan marauderen. Dit was later ook het lot van 2 soldaten.

 

in den namiddag van den 11den keerde de marine-landingsdivisie naar hare schepen terug, die voor den kraton geankerd lagen. Den volgenden dag vertrok Zr. Ms. stoomschip Onrust naar Muntok, aan boord hebbende den 1sten luitenant-adjudant Boekstal en den luitenant ter zee 2e klasse de Stuers, belast om de rapporten der vermeestering van Djambi aan de respective kommandanten der land- en zeemagt te Batavia over te brengen; door het aan den grond geraken van dit vaartuig werd het vervangen door de Kinsbergen.

 

Bij het vertrek der beide officieren was de gezondheidstoestand der troepen te Djambi uitmuntend. Geen enkele zieke had men sedert het debarkement gekregen; terwijl op het hospitaalschip in behandeling waren : 1 officier, 2 onderofficieren, 26 Europesche korporaals en manschappen en 15 inlandsche korporaals, manschappen en koelies; meest allen geblesseerden. Hunne behandeling en verpleging door de zorg van den officier van gezondheid Wrede, en den chef der administratie, Smets, lieten niets te wenschen over.

 

Naardien er sedert onze vestiging in den kraton alle nachten, door toedoen der bevolking, brand in de doeson boven den kraton ontstond, werden de 2 kruispraauwen alle avonden daar ter plaatse op brandwacht gezonden. In den nacht van den 18den op den 19den September werden op deze praauwen een paar schoten gelost, ten gevolge waarvan, op last van den commissaris, de huizen waaruit die schoten gevallen waren en die aan

den Pangeran Poespa toebehoorden, verbrand werden. Door de bemanning der kruispraauwen werden tevens de bentings boven en beneden den kraton geslecht en het veroverde geschut op de Java overgebragt.

 

Nadat Zr. Ms. Stoomschip Admiraal van Kinsbergen, den 20sten September teruggekeerd was, kwam den 1sten October de 1ste luitenant-adjudant Boekstal van zijne zending naar Batavia terug, met het Stoomschip Onrust, vergezeld van den kapitein A. de Veen de Rochemont, bestemd om den tot majoor benoemden kapitein Kroesen te vervangen; tevens werden op dien datum van Moeara Kompeh ontvangen twee 8 , met materieel en munitie, ter bewapening van de twee circulaire bastions om den kraton, welke nog in aanbouw waren.

 

De kommandant der expeditie ontving te gelijker tijd door den luitenant Boekstal, de navolgende dagorder van den opperbevelhebber des Legers, welke aan de troepen werd voorgelezen:

 

Djambi is gevallen. Na een hardnekkigen strijd van slechts 4 uren viel de hoofdplaats van dat rijk met den vorstelijken kraton, beschermd door een twaalftal batterijen en bentings, waarop 50 stukken geschut en lilla's, den 6den September jl., in handen der onzen. Deze schoone overwinning zijn wij verschuldigd aan den onbezweken moed en den volhardenden ijver door de land- en zeemagt bij hare vereenigde en wel bestuurde pogingen, aan den dag gelegd.

Het is mij hoogst aangenaam, door het Gouvernements-besluit van den 2lsten September 1858, N°. 2, in staat gesteld te zijn, deze roemvolle gebeurtenis aan het Leger bekend te maken, en nog aangenamer is het mij de bijzondere tevredenheid te kunnen betuigen aan de landmagt, die tot deze gelukkige uitkomst zoo belangrijk heeft bijgedragen door haren moed en het beleid van haren aanvoerder, den majoor der infanterie J.W.C. van Langen.

 

Hoofdkwartier Batavia, den “Listen September 1858.

De Luit.-Generaal, adjudant des Konings in buitengewone dienst, kommandant van het O.-l. Leger.

 

(w. g.) de Stuers.

 

Inmiddels werd met kracht voortgewerkt aan de vernieuwing van het fort, dat door een gedeelte onzer troepen bezet zou worden. De voorwerken der redoute die de verdediging konden hinderen, werden geslecht; het eene circulaire bastion was reeds bijna gereed, een tijdelijk banket van bamboe langs de geheele borstwering gemaakt, en deze zooveel mogelijk onder profiel gebragt. Aan de overzijde der redoute was eene gracht gegraven, het kruidmagazijn gerestaureerd, een tijdelijk hospitaaltje, benevens eene kazerne voor de Europeanen gebouwd, terwijl men aan die voor de inlanders nog bezig was; tevens was het bosch rondom de redoute omgekapt en de te digt bijstaande huizen waren afgebroken. De tot deze vernieuwingen en herstellingen benoodigde materialen werden aanvankelijk van de verlaten huizen gehaald; toen echter tegen half October meer toenadering van de zijde der bevolking ontstond, worden die materialen tegen betaling geleverd.

 

lntusschen veroorzaakten de regens, in den jongsten tijd gevallen, eenige ziekten, te meer daar zoowel officieren als manschappen nog steeds slecht gelogeerd waren. De aanwezige gebouwen in de redoute waren zeer bouwvallig, zoodat men zelfs, voorzigtigheidshalve, verpligt was eenige af te breken; de kraton was een planken gebouw, even als de andere, op houten stijlen gebouwd, met slechts ééne redelijk groote kamer en een paar kleinere, benevens eene rondgaande galerij; doch alle officieren konden daarin niet opgenomen worden.

 

Het hoofddoel der expeditie was intusschen bereikt; alzoo werd, ook uit een financieel oogpunt, den 18den October, door den kommandant der expeditie aan den commissaris in overweging gegeven, om, zoo er geene bedenkingen van politieken aard tegen waren, den staf der expeditie en de troepen, die niet te Djambi als bezetting zouden achterblijven, naar Batavia te doen terugkeeren. Door den commissaris werd dit gevoelen gedeeld, te meer daar dat vertrek veel zou bijdragen om de vrees bij de rijksgrooten voor verdere vijandelijkheden weg te nemen, meer vertrouwen bij de bevolking en dus meer toenadering te verwekken. De indruk van het vermogen onzer wapenen was zoodanig gevestigd, dat er thans alle hoop bestond, om reeds in den loop der volgende maand tot eene geheele afdoening van zaken te komen. Dien ten gevolge werd met den kapitein Backerus, die bestemd was om als politiek agent en militaire kommandant achter te blijven, overeengekomen, dat eene bezetting van 8 officieren, waaronder 2 adjudanten-onderofficier, dienstdoende officieren, benevens 260 Europesche en inlandsche onderofficieren en manschappen, en 10 dito voor hospitaal-personeel te Djambi zouden blijven; tevens werd, in overeenstemming met den kommandant der flotille, bepaald, dat tot dekking van onzen post, één stoomschip (de Celebes) en een paar kruisbooten op de rivier gestationeerd zouden blijven.

 

Nadat de noodige voorbereidende maatregelen voor het embarkement enz. der troepen genomen waren, verlieten deze, met den staf der expeditie, in den vroegen morgen van den 28sten October, den kraton, terwijl het achterblijvende gedeelte geschaard was tot aan de embarkementsplaats. De vertrekkende troepen scheepten zich in op de Soengsang- en kruispraauwen, alsmede op het stoomschip Onrust, op de koopvaardijschepen de Regina

Maris en de Acadia, en werd de terugtogt naar de monding der rivier aanvaard. Door Zr. Ms. stoomschepen gesleept, bereikte de expeditie den 14den November de reede van Batavia, den volgenden dag debarkeerde zij en marcheerde naar Weltevreden.

 

Zoo werd, door de volharding en den moed van onze land- en zeemagt, en van hare aanvoerders, alsmede door het met beleid en kracht gebruik maken van onze wapenen, ook thans weder de eer onzer vlag gehandhaafd en bevestigd, en het doel der expeditie volkomen bereikt.

 

 

De belooning der dapperen voor de weder verrigte kloeke daden bleven niet achterwege.

Bij besluit van den 8sten Februarij 1859, No. 64, behaagde het Z.M. onzen geëerbiedigden Koning, ter belooning voor het gehouden gedrag van land- en zeemagt bij de verovering van Djambi ‚ op den 6den September 1858,

a.      Te bevorderen tot Ridders der 3e klasse van de Militaire Willemsorde, de Ridders der 4e klasse van die orde:

Van de zeemagt
. Den kapitein-luitenant ter zee M.F. Courier dit Dubikart, kommandant der maritime-middelen der expeditie.

Van de landmagt.
Den majoor der infanterie J.W.L. van Langen, kommandant der expeditie; den kapitein der infanterie J.F. Backerus, chef van den staf der expeditie, en den kapitein der infanterie C.M.H. Kroesen.

b.      Te benoemen tot Ridder der orde van den Nederlandschen leeuw, den lndischen ambtenaar P.F. Couperus, Resident van Palembang.

c.       Te benoemen tot Ridders der 4e klasse van de Militaire Willemsorde:

Van de zeemagt
. Den kapitein-luitenant ter zee E.M.C. Baak ‚ kommandant van Zr. Ms. stoomschip Celebes; den luitenant ter zee 2e klasse W. Sluijterman van Loo, eerste officier aan boord van Zr. Ms. stoomschip Celebes, en den luitenant ter zee 2e klasse B. J. A. Bouricius, als adjudant toegevoegd aan den kommandant der landmagt, benevens de luitenants ter zee 2e klasse J.D.J. van der Hegge Spies, W. Steffens, Jhr. E.P.E. de Stuers en W.L.A. Gericke.
Den officier van gezondheid 3e klasse bij de marine J. Letzer, den kwartiermeester J.J. Bijl, en den 1en bootsmansmaat R. Ruisendaal, allen behoorende tot de landingsdivisie.
Den matroos 1e klasse W. Flipse, den matroos 2e klasse J.C. Hopman en den vuurstoker 2e klasse J.W. de Kort, dienende op Zr. Ms. stoomscbip Celebes.
Den machinist 3e klasse J.W. Voskuijl, dienende op Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen, en den matroos 3e klasse H.C. Schreuder, behoorende tot de landingsdivisie.

Van de landmagt
. Den 1sten luitenant der infanterie L.J.F.A. de Lassassie. Den 1sten luitenant der artillerie E.J.W.W. van Dompseler. Den 1sten luitenant der genie en sappeurs J.K. Pluijm Mentz; den fourier der infanterie A.C.J. Arntzen en den flankeur H. Ligtvoet.

d.      Te bepalen dat zoo Indië als in Nederland bij afzonderlijke dagorders eervol zouden worden vermeld:

Van de zeemagt.
De luitenant ter zee 2e klasse P. Swaan, dienende op Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen; de luitenantter zee 1e klasse. J.C.H. van der Velde, dienende op Zr. Ms. stoomschip Onrust; de luitenant ter zee 2e klasse C.A.C. van Kervel, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de luitenant ter zee 2e klasse Jhr. A.F. Meijer, dienende op Zr. Ms. stoomschip Onrust; de luitenant ter zee 2e klasse W.F. Meijen, dienende op Zr. Ms. stoomkorvet Groningen; de officier van gezondheid 2e klasse J.C. Arend en de officier van administratie 3e klasse 0.W. Gobius, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de officier van administratie 3e klasse J.H.C. ten Hove, dienende op Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen; de officier van administratie 3e klasse J.A. Waldeck en de officier van gezondheid 3e kl. G. Goedkoop, dienende op Zr. Ms. stoomschip Onrust; de adelborst 1e kl. D.M.G. de Swart, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de adelborst 1e klasse J. van Burg en de kwartiermeester A.C. Hommes, dienende op Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen; de 1e machinist H.W. Fricke, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de machinist 2e klasse J.C. Anokkee, dienende op Zr. Ms. stoomschip Onrust; de schieman J. Lek, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de sergeant der mariniers H.P. Lucas, de schiemansmaat J. ter Beek, de marinier 1e klasse J. van Leeuwen en de matrozen der 1e klasse W. Tjeiks, A.J. Korber en H. Basten, de drie laatsten dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de matroos der 1e klasse W. Veenstra, dienende op Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen; de matrozen der 1e klasse W. Anthonisse en W. ’t Hoen, dienende op Zr. Ms. stoomschip Onrust; de matroos 2e klasse J.C. Geluk, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes; de matroos 2e klasse J.F. ten Hove, dienende op Zr. Ms. stoomschip Onrust; de machinist 3e klasse M.L.A.W. Kromp, de marinier 3e  klasse J. Memmer, dienende op Zr. Ms. stoomschip Celebes en de matrozen der 3e klasse J.H. Spee en H. Hijlkema, dienende op Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen; de matrozen der 3e klasse W.F. van der Hagen, J. Hoofd en G. Gronert en de ligt-matroos J. van der Pijl, de laatste dienende aan boord van Zr. Ms. stoomschip Onrust, en de gezagvoerder van het civiele stoomvaartuig Bennett, H.F. Bernoster.

Van de landmagt. De officier van gezondheid 1e klasse J. Wrede; de officier van gezondheid 2e klasse J.J. Jorritsma; de 1ste luitenant der infanterie J.A. Häfeli, de adjudant-onderofficier der artillerie N. Wirtz; de sergeant-majoor der infanterie P.J. Hartel; de sergeant der infanterie M.G. Pfeiffer, W.J. de Avoine, J. Munnik, J. Brom, R. Ruiter en F.W. van Bergen; de sergeant der artillerie C.F. van der Heijden en de flankeurs W. van der Loo en G.J. Kappert.

 

Voorts heeft Z. M., blijkens een kabinetschrijven dd. 8 Februarij jl., No. 64, magtiging verleend om aan den luitenant ter zee 2e klasse P. Roodzant, kommandant van Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen, namens Hoogstdenzelven, te doen uitreiken de Eeresabel, met het opschrift: Koninklijk eereblijk voor betoonde dapperheid.

 

Wijders zijn bij bovengenoemd besluit van den Gouverneur-Generaal, ter zake van dezelfde krijgsverrigtingen aan de inlandsche onderofficieren en manschappen en schepelingen en de opvarenden van de Gouvernements-kruisbooten, toegekend de bijzondere belooningen achter hunne namen bekend gesteld.

Van de landmagt. Aan den inlandschen fuselier Saridjo, de zilveren medaille voor moed en trouw. Den inlandschen sergeant Karian, benevens de inlandsche fuseliers Noijotroino, Sahidhin, Singapio, Norsian, Kramodjoijo en Sedrono, en de inlandsche hoornblazers Saidin en Ronowidjo, de bronzen medaille voor moed en trouw. Aan de inlandsche sergeanten Redijodipo en Somana, benevens de inlandsche fuseliers Sodongso (thans korporaal) Karijodrono, Wongsodrikromo, Wierondriejo, Setronleksono, Sedrono, Kromoredjo, Boerik, AmalsingaranAoijodrono, Redsoleksonno, Wirodrono, Wonsodrono en Montodrono, allen van het 12e bataillon infanterie en aan den inlandschen kanonnier 1e klasse Latip, eene eervolle melding.

 

Van de zeemagt. De inlandsche matrozen Mertho en Soidin, aan boord van Zr. Ms. stoomschip Celebes, en Kassio ll, aan boord van Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen, de bronzen medaille voor moed en trouw. Den mandoor Abbas, aan boord van Zr. Ms. stoomschip Admiraal van Kinsbergen, eene eervolle melding. Aan de djoeragans (gezagvoerders) van de gouvernements-kruisbooten No. 26 en 52, Kitjiel en Salidin, de bronzen medaille voor moed en trouw, en aan die van de gouvernements-kruisboot No. 25, Aboe-Kassim, eene eervolle melding. Aan den djoeroemoedi (stuurman) van de kruisboot No. 25, Alie, en de mandoors van de kruisbooten No. 26 en 52, Samer en Sale, benevens aan den matroos van de kruisboot No. 52, Dragman, elk 3 maanden soldij, gezamentlijk ten bedrage van f 183.

 

 

 

VERKLARING DER SCHETSKAART VAN DJAMBI EN OMSTREKEN.

a.                            Benting, bewapend met 3 kanons à 3 .

b en d.      Bentings opgerigt door den Pangeran Adipatti, op het terrein vroeger door den Sultan aan het gouvernement afgestaan, tot het oprigten van een fort.

c.              Overblijfselen van het oude fort der Compagnie; nu ook bewapend.

e.              Weg van de Soengie-Assan tot den kraton.

f.               Benting ‚ den weg met een stuk enfilerende.

gg.            Voorwerken van den kraton: de oostelijke bewapend met een 12, 3 stukken van 3 en 6 ; de westelijke met 2 stukken van 3  en lilla‘s.

h.              Groote Pendoppo (overdekte galerij).

i.               Zeer diepe drooge gracht.

k.              Kraton ‚ bewapend met 8 lilla‘s.

llll.            Vier kleine bentings, langs den weg e, elk bewapend met een stuk.

m.             Oude kraton, bewapend met 8 lilla‘s.

n.              Nieuwe benting.

o. p. q.      Kleine bentings nabij en aan den linker oever der rivier.

r.              Links en regts van den kraton is de helling zwaar begroeid met klapper en andere boomen; daarvóór was het terrein meer open.

s. s.           Deze kampong, bij de landing bijna 15 voeten boven de oppervlakte der rivier, staat met hoog water onder.

 

Het valt moeijelijk op te geven, hoe alle bentings enz. bewapend waren, naardien verscheidene stukken terstond na de vermeestering onbruikbaar gemaakt en in de rivier geworpen werden. In het geheel zijn later 65 kanons en lilla‘s gevonden.

 

 

 

Bron:   Militaire Spectator 1860 (Google books)

            Militaire Spectator 1860-29-163 (http://www.kvbk-cultureelerfgoed.nl/)